Luther – De storm van de Reformatie

Hoe een toevallige pittige onweersbui ergens midden in Duitsland heel Europa voorgoed veranderde.

Op 2 juli 1505 loopt een 21-jarige student van de universiteit van Erfurt terug naar zijn ouderlijk huis. Hij wandelt in gedachten verzonken over het karrenspoor door het lege landschap. Het is een zwoele zomerdag en het weer verandert langzaam, zonder dat de jonge man het doorheeft. Tot er opeens dreigend gerommel klinkt en het onweer boven zijn hoofd in volle hevigheid losbarst. Het is te laat om nog een schuilplaats te vinden. Wanneer vlakbij hem de bliksem inslaat, werpt hij zich in zijn doodsangst ter aarde en roept Sint Anna, beschermvrouwe van de mijnwerkers aan met de woorden: “Help mij, en ik word monnik!” Biddend blijft hij ineengedoken zitten. Wanneer het onweer even later ten einde is en hij zijn ogen weer durft te openen, beseft hij dat hij nog in leven is. Dit moet een teken van boven zijn! Binnen twee weken lost hij zijn belofte in en sluit hij zich aan bij een Augustijnenklooster dat streng in de leer is. Hij kon toen nog niet vermoeden dat zijn beslissing om monnik te worden Europa volledig op zijn kop zou zetten. De naam van deze jonge man luidde Maarten Luther.

Tegenwoordig kent het christendom vele stromingen, maar in de tijd van Luther was er in West-Europa maar één organisatie die dicteerde wie wel of geen christen was: de kerk. Al vijfhonderd jaar lang was de macht van deze kerk onaangetast, al waren er natuurlijk altijd wel enkele waaghalzen die durfden hun mond open te doen. Maar wie de kerk bekritiseerde, werd meestal niet erg oud. Eerder al meende de Engelse professor John Wyclif (1320-1384) dat mensen slechts de Bijbel als gids nodig hadden, en dat priesters overbodig waren voor de vergeving van hun zonden. Tijdens het Concilie van Konstanz werd hij veroordeeld wegens ketterij. Gelukkig voor de Engelsman was hij toen al dood. De arm van de kerk reikte echter ver: ze liet het graf openbreken en zijn stoffelijke resten in 1427 verbranden. Een andere criticus kwam er minder genadig vanaf. Johannes Hus (ca. 1369-1415) uit Bohemen werd tijdens hetzelfde Concilie veroordeeld tot de brandstapel, omdat hij kritiek had geuit op de corruptie binnen de kerk en de handel in relikwieën en aflaten.

Tegen de tijd dat Maarten Luther op 10 november 1483 werd geboren in Eisleben was er ondanks de kritiek van deze opstandelingen nog steeds geen verandering gekomen in de allesoverheersende macht van de rooms-katholieke kerk. De jonge Luther, de oudste zoon van vader Hans en moeder Margarethe, groeide op in een eenvoudig gezin dat het boerenland had ingeruild voor werk in de mijnen van Mansfeld. Hiermee had vader Luther het gezin kunnen voorzien van wat meer welvaart, en er was dus geld om Maarten naar school te sturen. De droom van zijn vader was dat zijn zoon advocaat zou worden, een goed huwelijk zou sluiten en zo de toekomst van het hele gezin veilig zou stellen. Tot 1505 verliep dit plan voorspoedig.

De jonge Luther deed netjes wat er van hem verwacht werd en er was geen spoortje rebellie in hem te bekennen. Hij deed het goed op school en mocht in 1501 beginnen aan de verplichte vooropleiding aan de universiteit van Erfurt voor zijn rechtenstudie. De religie die thuis in het conservatieve gezin beleden werd, werd op school en op de universiteit alleen maar verder versterkt. In elke stad waar Luther onderwijs volgde, waren kerken, kloosters, priesters, monniken, luidende kerkklokken en religieuze processies een belangrijk onderdeel van het straatbeeld. De Renaissance was hier in dit boerengebied van Duitsland nog niet doorgedrongen. Het hele leven was erop gericht om godvrezende mensen te kweken. Zijn studie in Erfurt was dan wel bedoeld om hem voor te bereiden op een carrière als jurist, maar was als opleiding tot geestelijke ook geschikt geweest.

Maarten Luther was in ieder geval erg leergierig en studeerde in de kortst mogelijke tijd af: in het voorjaar van 1505 ontving hij zijn diploma. Nog altijd was er niets dat erop wees dat hij een revolutie binnen de kerk teweeg zou brengen die nu nog gevoeld wordt. Tot die ene onweersbui die hem — tot grote woede van zijn vader – het klooster injoeg. De storm had in hem een religieuze crisis ontwaakt die niet meer tot zwijgen gebracht kon worden.

Net als veel van zijn tijdgenoten worstelde de jonge man met de vraag of hij wel in de hemel zou komen. Volgens de rooms-katholieke leer gaan de zielen van de doden namelijk eerst naar het vagevuur voordat ze de hemel kunnen betreden. In dit louterende vuur wordt de gelovige eerst gestraft voor zonden waarvoor hij wel al vergeving heeft ontvangen van de kerk, maar waarvoor hij nog geen of niet voldoende boete heeft kunnen doen. Boete doen kon op meerdere manieren en voor elk soort boetedoening werd meer of minder korting bedongen op de tijd die de overledene in het vagevuur moest doorbrengen. Goede daden verrichten was één manier om je schulden in te lossen.

Pelgrimstochten naar heilige plaatsen en het bezoeken van relikwieën leverden bonuspunten op. Naast het vervullen van vrome daden was er nog een manier om sneller in de hemel te komen: indulgentia, ofwel aflaten. Dit zijn een soort kanskaarten waarmee je niet eerst door het vagevuur hoeft, maar meteen naar de hemel gaat. Met aflaten kon je de tijd in het vagevuur verkorten, en de kerk had de verkoop van aflaten inmiddels verheven tot een goedlopende business.

Een andere snelweg naar de hemel was de monnikspij, dus je kunt je voorstellen dat het klooster een aanzienlijke aantrekkingskracht uitoefende op Luther. In zijn eerste jaar in het Augustijnenklooster toonde Luther dezelfde honger naar kennis die hij eerder op school en de universiteit al had laten zien, en hij bestudeerde de Bijbel van kaft tot kaft. Maar de kloostergeloften van gehoorzaamheid, armoede en kuisheid brachten hem niet de innerlijke rust waarop hij gehoopt had. Hij deed steeds zijn uiterste best om een zo vroom mogelijk monnik te zijn, maar hoe hard hij zijn best ook deed om aan alle religieuze regels te voldoen, hij vond geen gemoedsrust. Hij biechtte steeds alle mogelijke zonden die hij had begaan op — hoe klein en onbenullig ook — zodat hij om vergeving kon vragen en boete kon doen.

Toen hij in 1510 de mogelijkheid kreeg om namens het klooster Rome te bezoeken, greep hij die kans met beide handen aan. Luther was niet geïnteresseerd in het Rome van de Renaissance of de Oudheid, maar in dat van de heiligen. Als er namelijk één plek op aarde was waar je veel heiligdommen en relikwieën kon vinden, dan was het Rome wel! Vol goede moed vertrok de monnik, te voet welteverstaan, naar de Heilige Stad. Maar toen hij merkte hoe het er in de stad aan toe ging, sloeg de twijfel toe. Bij het biechten was hij ontsteld over de incompetentie van de biechtvader. Hij was met stomheid geslagen door de onwetendheid en frivoliteit van de Italiaanse priesters. De geestelijkheid hier was allesbehalve vroom. “Als er een hel is”, zo werd Luther verteld, “dan is Rome erop gebouwd.” Hij keerde gedesillusioneerd terug naar Erfurt. Hij twijfelde niet aan zijn eigen geloof in God en de Bijbel, maar wel aan de kerk.

Meer lezen

Het volledige artikel is te lezen in de speciale uitgave Spannende verhalen 1 van Alles over Geschiedenis, onder andere te lezen via Readly.